DE ROL VAN DE LUCHTVAART IN DE LANDING

De geallieerde luchtmacht heeft, evenals de marine, een belangrijke rol gespeeld in de militaire acties van 6 juni 1944.

Al vanaf het voorjaar voeren ze talloze opdrachten uit op Franse bodem. Ze bombarderen onophoudelijk vliegvelden, radarstations, munitiedepots en batterijen van de Atlantikwall om de Duitse verdediging zoveel mogelijk te verzwakken voordat de landing plaatsvindt. Vervolgens valt de beurt aan stations, spoor- en wegenbruggen, met als doel Normandië langzaam maar zeker te isoleren.

Begin juni 1944 beschikt generaal Eisenhower, opperbevelhebber van de operatie Overlord, over meer dan 11.000 vliegtuigen, geplaatst onder de verantwoordelijkheid van Air Chief Marshal Sir Trafford Leigh Mallory. De Duitsers kunnen hiertegenover slechts een kleine duizend toestellen inzetten. Dit verschil blijkt later een van de geheimen van het welslagen van de Landing te zijn.

Terwijl in de nacht van 5 op 6 juni transportvliegtuigen duizenden parachutisten boven Normandië droppen, werpen de zware viermotorige vliegtuigen van het Bomber Command van de Royal Air Force 5.300 ton bommen op de tien gevaarlijkste Duitse kustbatterijen. Bij dageraad nemen de bommenwerpers van de 8e en 9e US Air Force het over.

De hele dag beheerst de geallieerde luchtmacht het hemelruim. Jachtvliegtuigen en jachtbommenwerpers geven tactische steun aan de grondtroepen, terwijl de bommenwerpers zich met man en macht inzetten om communicatieknooppunten te verwoesten en zo de aanvoer van versterking naar het Duitse front te vertragen. Bruggen en stations worden systematisch aangevallen. De binnenstad van Caen is aan het begin van de middag compleet verwoest door de bommen. Op de avond van 6 juni en in de loop van de nacht van 6 op 7 juni zijn een tiental steden in Zuid-Normandië meedogenloos vernietigd. Dit brengt de dood van honderden mannen, vrouwen en kinderen uit de burgerbevolking met zich mee.