KUSTBATTERIJEN

De Duitsers bouwen artilleriebatterijen tussen de forten langs de kust. Deze vallen onder het bevel van de land- of zeemacht. Ze liggen op meerdere kilometers afstand van elkaar en hebben als taak richting zee te vuren en een invasievloot te stoppen. Ze zijn uitgerust met kanonnen (meestal 100 tot 155 mm) en opgesteld in clusters van 4 en soms 6 bunkers.

Langs de kust van de baai van de Seine tussen Le Havre en Cherbourg komen meer dan twintig hoofdbatterijen te staan. Elke batterij wordt beschermd door een verdedigingszone, afgezet met mijnenvelden en een netwerk van prikkeldraad, inclusief mitrailleursnesten, mortieren en luchtafweergeschut. Ze zijn onderling verbonden door loopgraven.

De artillerie was oorspronkelijk opgesteld in open kuipen, maar dit blijkt al gauw te kwetsbaar tijdens de geallieerde bombardementen die vanaf 1943 in intensiteit toenemen. Rommel geeft de opdracht de kuipen af te sluiten met beschermende betonnen kazematten. Deze operatie is nog lang niet voltooid in het voorjaar van 1944. Uit voorzorg worden een aantal kanonnen uiterst discreet verborgen in het achterland.

Tijdens de Landing bieden de Duitse kustbatterijen slechts een magere weerstand tegen de geallieerde vaartuigen, die ze zonder noemenswaardige complicaties onschadelijk maken.