FORTEN

Sinds de aanval van de Britten en de Canadezen op Dieppe in augustus 1942 zijn de Duitsers overtuigd dat de geallieerden zullen proberen een haven te overmeesteren tijdens hun volgende landingspoging, zodat ze snel en gemakkelijk de nodige manschappen, oorlogsmaterieel en proviand kunnen aanleveren.

Ook alle belangrijke havens langs de westkust van Europa worden omgebouwd tot heuse forten (Festungen), rijkelijk uitgerust met zwaar geschut dat een eventuele invasievloot moet terugdrijven. De baai van de Seine is omsloten door twee forten: die van Le Havre en Cherbourg.

Het fort van Cherbourg, onder bevel van generaal Karl von Schlieben, strekt zich uit over een kuststrook van een dertigtal kilometers aan beide kanten van de stad: van de Pointe de Jardeheu (west) tot aan Cap Lévi (oost). De verdediging bestaat uit twaalf zwaar bewapende batterijen met in totaal een veertigtal 105 tot 240mm-kanonnen. De stad en de haven zijn volgestopt met bunkers, antitankmuren en stellingen met luchtdoelartillerie.

Meer landinwaarts wordt het fort beschermd door een eerste verdedigingsgordel in een halve cirkel van zo’n twaalf kilometer, en een tweede langs de rand van de stad. En dit was juist het zwakke punt van het verdedigingssysteem. De twee linies waren veel te snel aangelegd. Ze bieden eind juni 1944 slechts kort weerstand tegen de aanval van de Amerikaanse troepen die op Utah Beach zijn geland, terwijl de batterijen met hun zware geschut de geallieerde vloot, die tijdens de aanval de stad bombardeert, op afstand weet te houden.