DUITSE BEZETTING IN ZUID-NORMANDIË

In november 1943 besluit Hitler de in het westen gelegerde Duitse strijdkrachten te versterken met het oog op de groeiende waarschijnlijkheid van een geallieerde landing. Het aantal in Frankrijk, België en Nederland aanwezige divisies stijgt van een kleine 30 in 1942 tot bijna 60 in het voorjaar van 1944.

Het merendeel wordt gelegerd achter de kustlijn van Bretagne tot de Pas-de-Calais. Ze staan onder rechtstreeks bevel van maarschalk Rommel, commandant van Heeresgruppe B.

In tegenstelling tot het merendeel van zijn collega-opperofficieren, sluit hij absoluut niet uit dat de landing wel eens in Zuid-Normandië zou kunnen plaatsvinden. Hij plaatst in deze zone de 91e, 243e, 352e, 709e, 711e en 716e infanteriedivisies, waaraan het 6e parachutistenregiment, de 30emobiele brigade en de Russische Bouniatchenko-brigade toegevoegd worden.

Rommel is overtuigd dat de slag vrij spoedig zal plaatsvinden. Hij schat de waarde van zijn troepen niet echt hoog en beschikt over hoegenaamd geen luchtmacht. Hij wenst zo snel mogelijk te beschikken over pantserdivisies om de invasie te weren. Hij ondervindt op dit punt echter een sterke tegenstand. Uiteindelijk is alleen de rond Saint-Pierre-sur-Dives gelegerde21e Panzer beschikbaar in de nabijheid van de kust. Rommel verlaat op 5 juni 1944 zijn commandopost in La Roche-Guyon om persoonlijk in Duitsland aan Hitler toestemming te vragen om twee nieuwe tankeenheden (de 12e SS Hitlerjugend en de Panzer Lehr) langs de baai van Les Veys te legeren.